Dit interview verscheen in juni 2026 op de website van ICT Research Platform Netherlands (IPN).
Hoe bent u in de informatica terechtgekomen?
‘Op de middelbare school droomde ik ervan om bij CERN te werken, dus ging ik natuurkunde, wiskunde en scheikunde studeren. Maar na vier jaar natuurkunde was mijn liefde voor het vak wel verdwenen. Om een idee te krijgen van wat voor loopbaan dan wél bij me zou passen, vulde ik een computerprogramma in — dit was in 1982! — dat suggereerde dat ik misschien een carrière in operations research interessant zou vinden. Ik had aanvankelijk geen idee wat dat was, maar het klonk boeiend. Ik ging op zoek naar een bedrijf dat mijn masteropleiding wilde financieren en kwam terecht als computerprogrammeur bij International Computers Ltd., een grote Britse computerfabrikant, waar ik printerdrivers programmeerde.’
Hoe bent u vervolgens in de academische wereld terechtgekomen?
‘Ik werkte daar ongeveer een jaar toen het bedrijf besloot de vestiging in Edinburgh te sluiten. Enkele oud-collega’s begonnen een startup en ik sloot me bij hen aan. Bij dat bedrijf, Office Workstations Ltd., schreef ik software voor de eerste Macintosh-systemen. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met interactieve tekst, destijds bekend als hypertext. Vervolgens ging ik als onderzoeksassistent aan de slag bij Heriot-Watt University om me verder te verdiepen in de vraag hoe mensen door hypertext navigeren. Daardoor kon ik in 1987 de allereerste internationale hypertextconferentie in Chapel Hill bijwonen, hoewel die eigenlijk al was uitverkocht.
Toen ik later in Edinburgh mijn man ontmoette en naar Nederland wilde verhuizen, bood Office Workstations Ltd. mij de mogelijkheid om op afstand te werken aan een gezamenlijk project met de Universiteit van Amsterdam. Ze huurden zelfs een bureau voor me bij CWI. Door dat project kreeg ik pas echt de smaak van onderzoek te pakken. Na een paar maanden moest het bedrijf me helaas laten gaan. Ik werkte daarna bij CWI op een aantal tijdelijke contracten, maar om een vaste aanstelling bij CWI te krijgen, moest ik een PhD hebben. Dat was voor mij de aanleiding om te promoveren aan de Universiteit van Amsterdam.’
Aan wat voor onderwerpen heeft u in de loop der jaren gewerkt?
‘Het begon allemaal met hypertext. Ik onderzocht hoe je systemen kunt maken die mensen helpen om informatie op een toegankelijke en goed navigeerbare manier te vinden. Dat werd het centrale thema van mijn onderzoek. In mijn proefschrift combineerde ik interactieve tekst met beeld, audio en video. Dat werk legde de basis voor SMIL, de Synchronized Multimedia Integration Language, die werd ontwikkeld door de W3C-werkgroep. SMIL zelf wordt inmiddels niet meer ondersteund, maar de onderliggende ideeën zijn opgenomen in HTML5.
Na mijn promotie ging ik werken aan semantiek voor films, gebaseerd op de manier waarop editors videofragmenten met elkaar verbinden zodat ze samen een samenhangend verhaal vertellen. Op een gegeven moment maakte ik me steeds meer zorgen over hoe zulke technologieën mogelijk gebruikt zouden kunnen worden voor geautomatiseerde propaganda. Daarom verschoof mijn aandacht van semantische modellering naar datavisualisatie.
De afgelopen jaren heb ik bijvoorbeeld gewerkt aan projecten om zichtbaar te maken hoeveel vissen er in onderwaterbeelden voorkomen, en om onderling verbonden concepten in de neurowetenschappen te verkennen. Onze methoden zijn niet gebaseerd op grote taalmodellen of machine learning, maar op de verbanden tussen concepten in publicaties. Het is altijd lastig om nieuwe technologieën te introduceren wanneer die sterk afwijken van wat gebruikers al kennen.’
U bent breed bekend geworden door uw inzet voor meer vrouwen in STEM. Wanneer besloot u zich daarvoor in te zetten?
‘Hoewel ik altijd de enige vrouw in een groep mannen was geweest, had ik daar lange tijd niet zoveel moeite mee. Ik was one of the guys, en dacht dat de “mannelijke” cultuur in de informatica nu eenmaal was zoals die was. Pas in 2011 realiseerde ik me dat de cultuur waar ik zelf deel van uitmaakte niet goed was om andere vrouwen aan te trekken. Inmiddels was ik toegetreden tot het managementteam van CWI, als eerste vrouw en eerste buitenlander. Ik vroeg om een coach om me te ondersteunen in mijn nieuwe rol. Zij was een uitgesproken feminist en wist goed hoe de universitaire cultuur werkte. Het voelde alsof mijn zonnebril werd afgezet.
Rond die tijd vroeg de toenmalige directeur van CWI, Jan Karel Lenstra, mij om CWI te vertegenwoordigen op de European Computer Science Summit, georganiseerd door Informatics Europe, een organisatie waar ik nog nooit van had gehoord. Uit nieuwsgierigheid woonde ik hun bestuursvergadering bij, waarna ik werd uitgenodigd om met het bestuur te dineren. Een van de bestuursleden vroeg me: “Waarom kom je niet in het bestuur?” Met twee jonge kinderen stond dat niet bepaald bovenaan mijn to-dolijst. Maar tijdens de lunch de volgende dag zei de uitvoerend directeur: “We hebben iemand nodig die kan helpen om het aantal vrouwen in ons vakgebied te vergroten.” Toen was ik om. Als een van de zeer weinige vrouwelijke onderzoekers bij CWI kon ik contact leggen met andere vrouwen in Europa.’
Hoe heeft u die rol ingevuld?
‘Binnen Informatics Europe heb ik de werkgroep WIRE opgericht: Women in Informatics Research and Education. Met die groep brachten we een klein boekje uit, “More Women in Informatics Research & Education”, met praktische handvatten om vrouwelijk talent aan te trekken en te behouden. Toen Maarten van Steen voorzitter werd van IPN, zette ook hij zich in voor een cultuurverandering. Ik hielp hem de statuten zo op te stellen dat diversiteit erin verankerd werd. Ook richtte ik de IPN-werkgroep Equity, Diversity and Inclusion (EDI) op, om ervoor te zorgen dat dit onderwerp ook op de langere termijn aandacht zou blijven krijgen. Als lid van die werkgroep was ik mede-redacteur van een ander boekje: “Why would I want to do a PhD in Computer Science?”, waarin vooral vrouwelijke gepromoveerden in de informatica, in verschillende fases van hun loopbaan, hun ervaringen delen.’
Is er in de loop der jaren iets veranderd?
‘Langzaam maar zeker wel. Een belangrijke impuls was het besluit dat ten minste 35 procent van de nieuwe aanstellingen binnen het sectorplan naar vrouwen moest gaan. Ook top-downinitiatieven zoals de monitor van het LNVH, het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, zijn heel nuttig geweest om het bewustzijn te vergroten. Wat wel zorgelijk is, is dat de meeste vrouwen in de Nederlandse informaticagemeenschap uit het buitenland komen.
Een grote uitdaging begint al op de Nederlandse basisschool, waar veel meisjes al vroeg afhaken als het gaat om STEM. We moeten laten zien dat informatica een heel creatief vakgebied is: je bestudeert niet alleen hoe dingen zijn, je maakt nieuwe dingen die nog niet bestaan.’
Over ongeveer anderhalf jaar gaat u met pensioen. Wat hoopt u achter te laten?
‘Structuren. Mijn nalatenschap bestaat vooral uit de werkgroepen IE WIRE — inmiddels verbreed naar andere vormen van diversiteit — en IPN EDI. Als volgende stap zou ik graag helpen om informatica op alle scholen in Nederland te introduceren. Dat is een ingewikkeld probleem, maar ik zou daar op de een of andere manier graag aan bijdragen.’